Ayaan

maart 5, 2007

Gisteren stond in de New York Times een publicatie van het eerste hoofdstuk uit Infidel, het Engelstalige boek van Ayaan Hirshi Ali. Ook staat er een recensie in van de in New York wonende Britse schrijver van Nederlandse origine Ian Buruma.

Als je het eerste hoofdstuk van het boek leest zijn er een aantal dingen die je al wist, waar je je toch over verbaasd. Allereerst de wijze waarop Ayaan de moord op Theo van Gogh beschrijft. Op een bijna klinische wijze beschrijft ze de feitelijkheden.

As Theo cycled down the Linnaeusstraat, Muhammad Bouyeri approached. He pulled out his gun and shot Theo several times. Theo fell off his bike and lurched across the road, then collapsed. Bouyeri followed. Theo begged, “Can’t we talk about this?” but Bouyeri shot him four more times. Then he took out one of his butcher knives and sawed into Theo’s throat. With the other knife, he stabbed a five-page letter onto Theo’s chest.

The letter was addressed to me.

Vooral de laatste zin komt als een mokerslag in je gezicht. Ik wist het, maar heb me nooit beseft dat zij het zo ervaren heeft.

De volgende verbazing en een gevoel van schaamte komt bij me op bij de passage waarin je leest dat het nog maar 15 jaar geleden was dat Ayaan naar Nederland kwam. Sommige autochtone Nederlanders bereiken in een leven niet wat zij in een paar jaar hier heeft bereikt. Maar vooral ook schaamte. Schaamte over de wijze waarop wij met haar zijn omgegaan.

I came to Europe in 1992, when I was twenty-two, and became a member of Parliament in Holland. I made a movie with Theo, and now I live with bodyguards and armored cars. In April 2006 a Dutch court ordered that I leave my safe-home that I was renting from the State. The judge concluded that my neighbors had a right to argue that they felt unsafe because of my presence in the building.

In zijn recensie op het boek heeft Buruma kritiek op haar idealisering van Nederland als hoofdstad van de verlichting en het contrast dat ze daarmee schetst met de hele Islamitische wereld. Hiermee, vindt hij, roept Ayaan een oorlog uit tussen deze twee uitersten waarbij hij zich afvraagt of dat de oplossing voor het probleem is.

And: Holland was “the capital of the European Enlightenment … the center of free thought.” Comparing the lack of aggression in a Dutch school with her own childhood experiences, she concludes that “this is why Somalia is having a civil war and Holland isn’t.” All this warms the cockles of my Dutch heart, of course, but it offers up the West as a caricature of sweetness and light, which is then contrasted not to specific places, like Somalia, Kenya or Saudi Arabia, but to the whole Muslim world.

(….)

But much though I respect her courage, I’m not convinced that Ayaan Hirsi Ali’s absolutist view of a perfectly enlightened West at war with the demonic world of Islam offers the best perspective from which to get this done.

Ayaan heeft een missie. En mensen met een missie praten niet in nuances, maar in concrete zwart-wit stellingen waarmee ze hun doel willen bereiken. Ayaan vecht tegen de onderdrukking door de Islam van de vrouw. Dat doet ze door een voorbeeld voor die vrouwen te zijn. Door ze te laten zien dat ze onderdrukt worden. Ze weet dat ze dan de taal moet spreken van die vrouwen en van haar tegenstanders. Dat betekent niet dat zij daarmee de oorlog uitroept tussen de westerse verlichting en de Islam. Zij laat slechts zien hoe het feitelijk is.

Ontroerend vind ik de passage waarin zij dieper op Theo van Gogh ingaat. Zij omschrijft hem als een krijger, die de Nederlandse vrijheid van meningsuiting wilde verdedigen.

Theo and I knew it was a dangerous film to make. But Theo was a valiant man - he was a warrior, however unlikely that might seem. He was also very Dutch, and no nation in the world is more deeply attached to freedom of expression than the Dutch. The suggestion that he remove his name from the film’s credits for security reasons made Theo angry. He told me once, “If I can’t put my name on my own film, in Holland, then Holland isn’t Holland any more, and I am not me.”


Ischa

maart 3, 2007

Ischa MeijerHij ging een paar maanden eerder dood dan mijn vader. Ik mis hem vaak. Vaker dan mijn vader. Niet méér, wel vaker en anders. Ischa Meijer. Gisteravond nog miste ik hem. Toen Jeroen Pauw bezig was een bijdehante grap te bedenken om zijn kwajongensimago op te vijzelen waardoor hij het antwoord van zijn gast volledig miste. De avond daarvoor nog verbaasde ik me erover hoe onhandig en ongemakkelijk Paul Witteman vrouwen interviewt die géén politica zijn. Ook toen dacht ik aan Ischa die juist op zijn sterkst was als hij een vrouw tegenover zich had. Het weergaloze televisiegesprek met Annie MG Schmidt, het nog spannender radiogesprek met Connie Palmen, die later zijn vrouw zou worden. In mijn geheugen bewaar ik het bij de goede films en mijn favoriete boeken. Die radio-interviews waren adembenemend omdat de wendingen in Ischa’s ondervragingen niet werden aangekondigd door zijn veelzeggende gezichtuitdrukking. Op televisie kreeg je ook die mee. De ene helft van zijn gezicht had verdriet, de andere kant lachte om alles en iedereen. Het was alsof de ene helft van zijn gezicht probeerde de andere helft te troosten. Hij dichte zichzelf tot het jongetje dat alles goed wilde maken.

Ischa wist in vijf minuten tijd vanuit oprechte verbazing, verontwaardiging, bewondering, verliefdheid of woede zijn gasten dingen te laten zeggen die zij zelf soms voor het eerst leken te horen. Het was alsof hij bezig was zichzelf te zoeken in zijn gasten. Hun antwoorden moesten hem clous moest geven over het leven, over zijn leven.

De enige die nu in de buurt komt is Matthijs van Nieuwkerk. Even oprecht en ongeveinsd. Het hele grote verschil is dat je Matthijs zélf nooit in zijn interviews terugziet. Ik weet niets van wat hij voelt of denkt. Ischa zat niet alleen in elke vraag maar ook in elk antwoord van zijn gasten. Dat maakte zijn interviews tot kunstwerken terwijl die van Matthijs gewoon goede interviews zijn. In één daarvan vroeg Matthijs een man die miniatuur lijkwagens verzamelt naar zijn favoriete model, zijn ‘pièce de resistance’. De man wees het ontroerd aan. Matthijs was onder indruk. De lijkwagen kwam close-up in beeld. Toen miste ik mijn vader.